Napraten

De laatste tijd is me een paar keer overkomen dat ik een partij verloor. Altijd lullig, iedereen die het wel eens is overkomen, zal het gevoel herkennen: katterig, teleurgesteld. De energie vloeit uit je weg. Weg ego, je voelt je klein. Je bent een nobody. Een looser. En je weet dat die ander tegenover je precies het tegenovergestelde gevoel heeft. Want ook dat heb ik wel eens meegemaakt. Je bent voldaan, voelt je sterk, je bent helemaal ‘zen’, alles is oké. Het is zogezegd een spiegelbeeldige gemoedstoestand. Hoe zwaarder de partij, hoe dieper dit gevoel. Voor de na-analyse heeft dit een grappig gevolg. Meestal volgt deze een vast patroon, zo heb ik ontdekt als ervaringsdeskundige. Het is de verliezer die eerst het hoogste woord heeft. Die weet altijd precies waar het mis is gegaan. ‘Als ik toen en toen dat en dat had gedaan, was het heel anders gelopen!’ Je ziet hem in deze fase van de analyse weer een klein beetje groeien. Sommige verliezers weten hun overwinnaar zelfs te vertellen hoe die nog veel sneller had kunnen winnen. Dit alles in een poging om iets van hun geknakte trots te redden. Ik ken ware kunstenaars op dit terrein. De winnaar zit in deze eerste fase van de wedstrijdanalyse rustig achterover geleund. Grootmoedig hoort hij aan wat zijn tegenstander daar ver weg aan de overkant van het bord, helemaal onderaan de apenrots, omhoog toetert. Ja ja, je hebt gelijk… misschien had ik daar en daar dat en dat wel kunnen doen. Hij is een en al meegaandheid, wetend dat de uitslag toch niet meer anders wordt. Hij weet dat de geschiedenis op zijn hand is. Maar gaandeweg verandert de rolverdeling. Dan zie je de winnaar ontwaken uit zijn roes. Hij gaat voorover leunen. Welwillend gaat hij op zijn beurt meedenken en mee analyseren. Je ziet de verliezer nu weer krimpen en achteruit deinzen. De winnaar heeft immers altijd gelijk. De ander heeft niks in te brengen – partij verloren dan kun je nog zo spitsvondig zijn maar je hebt even geen recht van spreken. Als de verliezer pech heeft, schakelt de winnaar vervolgens over op de doceer-toon. Gaat-ie wijsneuzerig uitleggen waar het mis ging, wat je had kunnen doen, hoe je die opening toch misschien anders aan had kunnen pakken. Alsof dat op dat moment interessant is. Het is zout in de wonde. Je hebt al verloren, dan wil je niet ook nog eens horen wat je allemaal niet goed hebt gedaan. In Bennekom heb ik dus vijf keer op rij verloren. Een olympische score. En vijf keer kreeg ik zo’n vernederend college. Daarom bij dezen een oproep aan alle winnaars: toon begrip voor je tegenstander, gun hem een kans op enig herstel van eigenwaarde en gun hem in ieder geval de lol van het hoogste woord tijdens de aftertalk!

Johan